Een kleine kogge uit het begin van de vijftiende eeuw, Almere-Stad
In 1986 zijn scheepsresten aangetroffen tijdens rioleringswerkzaamheden in wijk 13 te Almere Stad (Cypergrasstraat/Dadelklaverstraat). In april van datzelfde jaar is het vaartuig opgegraven.
Op grond van de constructie en de rompvorm kan het schip worden herkend als een kogge. Het vlak is in het middenschip platboomd en karveel gebouwd. Richting stevens wordt het overnaads en krijgt het onderwaterschip de gepiekte vorm, typerend voor laat-middeleeuwse schepen. De overnaadse planken zijn aan elkaar bevestigd met twee keer omgeslagen spijkers. De naden tussen de planken zijn voorzien van gesinteld mosbreeuwsel. De achtersteven is niet aangetroffen, maar zal net als de voorsteven recht en vallend zijn geweest. Vingerlingen op de stevenhaak duiden op een stevenroer. Vrij ver voor in het schip is een kort mastspoor aanwezig. Het ruim is voorzien van een buikdenning. Lading is niet aangetroffen, maar de gesloten laadvloer wijst er op dat de schipper zijn lading droog wilde houden. Over de lengte van het ruim bevond zich hoger in het schip een gangboord met luikhoofd. De dwarsbalken in het schip zijn met rozebouten aan de zijden bevestigd. De lengte over alles bedraagt bijna 16 m, de breedte 4,2 m en de holte 1,7 m.
De inventaris van het vaartuig is vrijwel compleet aangetroffen. Opmerkelijk is het ontbreken van aanwijzingen voor een stookplaats en kookgerei. Voedsel werd wel aan boord geconsumeerd getuige de aanwezigheid van twee steengoedkannen en een kom. Voor het onderhoud van het schip zijn de standaard gereedschappen aan boord: een bijl, een dissel, een zaag en een marlpriem. Een interessant stuk gereedschap vormt de turfspade; een aanwijzing voor de vervoerde lading? Nog meer tot de verbeelding spreken de vondsten van een unieke klepper en een ruiterspoor. Mogelijk hebben ze toebehoord aan een (welgestelde) melaatse opvarende, die als passagier aan boord was. Verder zijn acht menselijk botten aangetroffen; onderzoek heeft aangetoond dat de man aan scheurbuik had geleden. Deze gezondheidsproblemen duiden eerder op iemand uit het gewone volk. Beenderen en klepper horen waarschijnlijk dus niet bij elkaar.
Het uitgevoerde jaarringonderzoek heeft geen datering opgeleverd. De datering van de voorwerpen uit de aangetroffen inventaris geven aan dat het schip is vergaan in het vroege tweede kwart van de vijftiende eeuw.

W13  ?

De grotendeels vrijgegraven 15e eeuwse kogge in Almere-Stad.

Een selectie uit de ruim vierhonderd vindplaatsen van schepen die ooit de Zuiderzee bevoeren,
teruggevonden bij de ontginning van Flevoland.
colofon | disclaimer